De nieuwe inrichting van de Guisweg vraagt om veel technische keuzes. Achter het beeld van een verdiepte weg, nieuwe routes voor fietsers en voetgangers en een aangepaste verkeerssituatie gaat een uitgebreid ontwerptraject schuil.
Merlijn van Beurden, ontwerpleider wegontwerp bij Sweco, werkt mee aan de technische uitwerking van het project. Hij vertelt hoe er vanuit eerste ideeën wordt toegewerkt naar een ontwerp dat veilig, uitvoerbaar en toekomstbestendig is.
Van eerste schets naar voorlopig ontwerp
Een groot infrastructureel project begint niet met een definitieve tekening. Eerst worden verschillende mogelijkheden onderzocht. Welke oplossingen zijn technisch haalbaar? Hoeveel ruimte is daarvoor nodig? En welke gevolgen heeft een keuze voor de omgeving? “Je begint met een schetsontwerp om te kijken welke oplossingen mogelijk zijn”, legt Merlijn van Beurden uit. “Daarna ga je dit steeds verder uitwerken. In het voorlopig ontwerp leggen we vast welke ruimte het ontwerp inneemt en welke uitdagingen we daarbij tegenkomen.”
Die ruimte gaat over veel meer dan alleen de weg. “Het gaat om de complete situatie: de rijbanen, fietspaden, constructies en de verdiepte ligging. Alles wat onderdeel is van het ontwerp heeft ruimte nodig. Zeker bij de Guisweg is dat een belangrijke puzzel, omdat de ruimte beperkt is.”
Het voorlopig ontwerp vormt de basis voor de volgende fase. “Als het ontwerp wordt goedgekeurd, gaan we samen met een toekomstige bouwer verder kijken naar de technische details en hoe we het daadwerkelijk kunnen realiseren.”
Een technische puzzel onder het spoor
Voor veel mensen bestaat het project vooral uit een nieuwe weg en onderdoorgangen. Maar volgens Van Beurden komt er achter de schermen veel meer bij kijken.
“Bij het wegontwerp kijken we naar alles wat gebruikmaakt van de route. Auto’s, vrachtwagens, hulpdiensten, fietsers en voetgangers moeten allemaal veilig en comfortabel door de nieuwe situatie kunnen.” Daarbij spelen verschillende technische aspecten een rol. De snelheid, het zicht voor bestuurders en de hellingen van de weg moeten allemaal voldoen aan richtlijnen.
“Als een automobilist naar het kruispunt rijdt, moet die voldoende kunnen zien wat er voor hem gebeurt. Je wilt voorkomen dat je voorganger achter een helling uit het zicht verdwijnt, waardoor je niet op tijd kunt reageren als deze onverwacht stopt. Ook de spoorconstructies bepalen hoe het ontwerp eruit komt te zien.
“Het spoor blijft op de huidige hoogte liggen. De spoorviaducten moeten sterk genoeg zijn en hebben daardoor een bepaalde dikte. Wij moeten daar met de weg onderdoor. Dat bepaalt uiteindelijk hoe diep de verdiepte ligging wordt.”
Een aparte route voor fietsers
Een belangrijk uitgangspunt in het ontwerp is dat fietsers en automobilisten zoveel mogelijk van elkaar worden gescheiden. “Een fietser heeft andere eigenschappen dan een automobilist. Een auto rijdt sneller, terwijl een fietser vooral een comfortabele en veilige route nodig heeft.”
Daarom krijgt het fietspad een eigen ontwerp. De route komt niet op dezelfde manier onder het spoor door als de weg voor auto’s. “Een fietser is minder hoog dan een vrachtwagen, waardoor het fietspad minder diep onder het spoor door kan. Dat geeft ruimte om de helling van het fietspad flauwer te maken dan die van het autoverkeer.”
Bij het ontwerp is ook rekening gehouden met toegankelijkheid. “De route moet ook bruikbaar zijn voor ouderen, mensen met een beperking en ouders met een kinderwagen. Daar zijn richtlijnen voor en die nemen we mee in het ontwerp.” Voor mensen die niet zelfstandig een helling kunnen gebruiken, blijft de bestaande stationstunnel (bij station Zaanse Schans) met lift belangrijk.
De omgeving levert waardevolle kennis
Hoewel het ontwerp technisch wordt uitgewerkt, speelt de omgeving een belangrijke rol. Bewoners en gebruikers van het gebied hebben tijdens informatiebijeenkomsten hun ideeën en aandachtspunten gedeeld. “De omgeving heeft een eigen expertise. Wij kijken zowel buiten als op kaarten en tekeningen naar de omgeving, maar de mensen die hier wonen en werken kennen de situatie beter dan wij.”
Die reacties hebben ook geleid tot verbeteringen in het ontwerp. “We dachten bijvoorbeeld dat we de fietsroutes goed in beeld hadden, maar tijdens gesprekken met de omgeving kwamen situaties naar voren waar we nog beter rekening mee konden houden. Dat hebben we aangepast.”
Volgens Van Beurden blijft het ontwerp zich ontwikkelen. “Je begint met een ideaal ontwerp volgens de richtlijnen. Met dat ontwerp als startpunt kom je steeds nieuwe zaken tegen. Denk aan onderzoeken naar de bodem, grondwater, vergunningen of wensen vanuit de omgeving. Op basis van die informatie wordt het ontwerp telkens aangepast en verbeterd.”